Alfa C

Leren lezen: Alfa C

In de laatste fase van het alfabetiseringsproces ligt de nadruk op het vergroten van de vloeiendheid en vlotheid van het (voor)lezen. Leerlingen moeten niet alleen klankzuivere woorden snel en correct kunnen herkennen, maar ook veelvoorkomende niet-klankzuivere woorden zonder aarzeling kunnen lezen. In deze fase is veel leeskilometers maken essentieel. Door regelmatig te oefenen met passende teksten ontwikkelen leerlingen hun leessnelheid en automatisering. Tegelijkertijd krijgt ook het leesbegrip een steeds belangrijkere rol binnen de leesvaardigheid.

De onderstaande leesteksten sluiten aan bij niveau A1 en bevatten veel frequent voorkomende woorden, zodat leerlingen gericht kunnen oefenen met vloeiend en begrijpend lezen.

Streefdoelen Technisch Lezen Alfabetisering NT2

Leesteksten

De onderstaande leesteksten zijn gebaseerd op de basiswoordenschat en de onderwerpen die aansluiten bij referentieniveau Alfa C/A1. Bij elke leestekst worden drie woordrijtjes geleverd, waarmee drie keer per week geoefend kan worden. Tijdens elke sessie wordt de tekst opnieuw gelezen, maar ligt de nadruk steeds op een andere set woorden uit de tekst.

Deze werkwijze is geïnspireerd op de methodiek Connect woordherkenning van Anneke Smits. Met deze methodiek heb ik zelf waardevolle ervaringen opgedaan bij het werken met route 1 leerlingen binnen de ISK.

Fase 1 (voorlezen)

De leerkracht en de leerlingen verkennen samen de tekst. Bespreek de titel en bekijk de afbeeldingen. Laat de leerlingen voorspellingen maken over de inhoud van het verhaal. Vervolgens leest de leerkracht de tekst rustig voor. Bespreek daarna de belangrijkste punten van de tekst, stel inhoudelijke vragen en controleer of de voorspellingen van de leerlingen kloppen.

Fase 2 (woorden schrijven)

De leerkracht dicteert de woorden uit het rijtje, waarna de leerlingen de woorden opschrijven. Tijdens het schrijven spreken zij de klanken van het woord hardop uit. Als extra ondersteuning kan de leerkracht de eerste klank van het woord benoemen of een deel van het woord laten zien. Vervolgens legt de leerkracht het woordkaartje op tafel, zodat de leerlingen, indien nodig, hun geschreven woord kunnen corrigeren.

Fase 3 (woorden lezen)

De leerkracht laat de leerlingen de woorden uit het rijtje (in volgorde) hardop voorleiden. Kies een leerling uit en laat deze het woord zeggen, zonder dat dit ‘zo snel mogelijk’ gebeurt. Het doel is dat alle leerlingen het woord hebben gelezen voordat het antwoord wordt gegeven. Daarna worden de woordkaartjes geschud en lezen de leerlingen de woorden opnieuw voor. Tot slot worden ook de connectwoorden uit de eerdere sessies van dezelfde week door elkaar geschud en gelezen.

Fase 4 (simultaan lezen)

De leerkracht en de leerlingen lezen gelijktijdig de tekst hardop voor. Het tempo wordt aangepast aan de leessnelheid van de leerlingen, zodat zij actief mee kunnen lezen. Laat de leerlingen mee wijzen met een aanwijskaartje of met hun vinger. De leerkracht controleert regelmatig of de leerlingen de tekst nog goed volgen.

Fase 5 (duo lezen)

Tot slot wordt de tekst in duo’s gelezen. Tijdens het duo-lezen leest één leerling voor, terwijl de ander met het aanwijskaartje aanwijst. Wanneer de voorlezende leerling twijfelt, helpt de andere leerling met het lezen van het woord. Daarna wisselen de leerlingen van rol.

Aan de slag met de leesteksten en woordrijtjes:

Leesteksten Alfa C